ECLI:NL:CRVB:2016:916
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van loonbegrip en bijtelling privégebruik auto bij WAO-uitkering na invoering WUL
Appellant ontvangt sinds 2004 een WAO-uitkering en werkt sinds 2007 als servicetechnicus waarbij hem een auto voor privégebruik is verstrekt. Met de invoering van de Wet uniformering loonbegrip (WUL) per 1 januari 2013 heeft het UWV de fiscale bijtelling voor privégebruik auto als loon betrokken bij de berekening van de WAO-uitkering, wat leidde tot verlaging van de uitkering en terugvordering van een bedrag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de wetgever bewust geen overgangsrecht heeft opgenomen ondanks de nadelige financiële gevolgen. De rechtbank verwierp ook het beroep op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol EVRM omdat geen buitensporige last was aangetoond.
In hoger beroep betoogt appellant dat het maatmaninkomen opnieuw moet worden beoordeeld en dat de inkomensachteruitgang disproportioneel is. De Raad stelt dat de bijtelling terecht als loon wordt aangemerkt en dat de wetgever een legitiem algemeen belang nastreeft met de WUL. De Raad oordeelt dat er geen ongerechtvaardigde inbreuk is op het eigendomsrecht, geen onevenredige last voor appellant en dat het maatmaninkomen volgens vaste jurisprudentie niet wijzigt.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verlaging van de WAO-uitkering met verrekening van de bijtelling privégebruik auto bevestigd.