ECLI:NL:CRVB:2016:914
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, die zich ziek meldde wegens psychische klachten en waarvan het dienstverband eindigde door faillissement, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees zijn verzoek om schadevergoeding af, waarbij zij het medisch onderzoek en de arbeidskundige rapporten als zorgvuldig en overtuigend beoordeelde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat zijn medicatiegebruik en bijwerkingen onvoldoende waren meegewogen, waardoor een urenbeperking ten onrechte niet werd vastgesteld. Het UWV verdedigde het standpunt dat met medicatiegebruik rekening was gehouden en dat de belastbaarheid in de geduide functies niet werd overschreden.
De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank, stelde vast dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die aanleiding gaven tot een ander oordeel. De functies die appellant kon vervullen werden als medisch passend beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.