Uitspraak
8 augustus 2013, 12/6014 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
BESLISSING
P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2016.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1950 en van Marokkaanse nationaliteit, heeft op 27 april 2011 kinderbijslag aangevraagd op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), mede vanwege een met terugwerkende kracht toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering vanaf 1992.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag aanvankelijk af omdat appellant niet als verzekerde werd aangemerkt voor de periode vóór het vierde kwartaal van 1999. Na bezwaar kende de Svb kinderbijslag toe vanaf het eerste kwartaal van 2006, met een terugwerkende kracht van vijf jaar, conform het beleid voor bijzondere gevallen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat een langere terugwerkende kracht toegepast moest worden, verwijzend naar zijn verblijf in Marokko, taalbarrière en psychische klachten.
De Raad oordeelde dat volgens artikel 14 lid 3 AKW Pro het recht op kinderbijslag niet eerder kan ingaan dan één jaar voorafgaand aan de aanvraag, tenzij sprake is van een bijzonder geval. In dergelijke gevallen geldt een maximale terugwerkende kracht van vijf jaar, tenzij appellant eerder zijn recht heeft veiliggesteld, wat niet is gebleken.
De Raad concludeerde dat de Svb het recht op kinderbijslag terecht heeft beperkt tot vijf jaar terugwerkende kracht en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de terugwerkende kracht van vijf jaar bij toekenning van kinderbijslag in dit bijzondere geval terecht is toegepast.