Uitspraak
OVERWEGINGEN
4.9. Uit 4.8 volgt dat het college bij de vaststelling van het vermogen van appellanten heeft mogen uitgaan van een waarde van de woningen in Turkije van € 85.733,- op 14 december 2012.
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen sinds 1996 bijstand en werden in 2012 opgeroepen voor een gesprek vanwege twijfels over de rechtmatigheid van de bijstand. Uit onderzoek via het Internationaal Bureau Fraude en de Nederlandse ambassade in Ankara bleek dat appellanten onroerend goed in Turkije bezaten dat niet was gemeld aan het college, wat een schending van de inlichtingenplicht vormt.
Het college trok de bijstand met ingang van 1 januari 2009 in en vorderde de onterecht ontvangen bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden. Zij stelden onder meer dat het onderzoek onrechtmatig was en dat sprake was van discriminatie.
De Raad oordeelde dat het college bevoegd was het onderzoek in te stellen zonder concreet vermoeden, dat het onderzoek een gerechtvaardigde inbreuk op de privacy vormde en dat het gebruikte middel proportioneel was. De Raad verwierp het beroep op discriminatie en de bezwaren tegen het onderzoek en bevestigde de waarde van het onroerend goed zoals vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen onroerend goed in Turkije.