ECLI:NL:CRVB:2016:732
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit stopzetting bijstandsuitkering wegens verblijf buitenland
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en verbleef langer dan de toegestane vier weken in het buitenland. Het college stopzette de uitkering vanaf 5 januari 2014 en hervatte deze pas na terugkeer op 9 februari 2014. Appellant maakte bezwaar tegen de uitkeringsspecificaties van januari en februari 2014, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang. De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak omdat appellant wel procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep. Verder oordeelt de Raad dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is vanwege het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing in de uitkeringsspecificaties.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en verklaart het bezwaar ongegrond omdat appellant de maximale verblijfsduur in het buitenland overschreed en geen zeer dringende redenen aannemelijk heeft gemaakt voor bijstand tijdens die periode. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de stopzetting van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard vanwege overschrijding van de maximale verblijfsduur zonder zeer dringende redenen.