ECLI:NL:CRVB:2016:729
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand na niet tijdig overleggen bankafschriften
Appellant ontving sinds 2009 bijstand en werd in 2013 geconfronteerd met een IB-signaal over twee niet gemelde bankrekeningen. Het college verzocht om bankafschriften over een periode van vier jaar, maar appellant leverde niet alle gevraagde documenten binnen de gestelde termijnen aan. Het college schortte de bijstand op en trok deze later in wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht.
Appellant voerde aan dat hij door het overlijden van zijn vader en de stress die daarmee gepaard ging, niet tijdig alle stukken kon aanleveren en dat het college te formalistisch handelde. Ook stelde hij dat het college hem een extra herstelmogelijkheid had moeten bieden en dat het recht op bijstand per 21 november 2013 had kunnen worden vastgesteld.
De Raad oordeelde dat appellant verwijtbaar tekort was geschoten omdat hij wist welke stukken nog ontbraken en dat het college hem meerdere kansen had gegeven. Het ontbreken van de gevraagde gegevens maakte een inhoudelijke beoordeling van het recht op bijstand onmogelijk. De Raad verwierp de bezwaren en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet alle gevraagde bankafschriften tijdig heeft overgelegd en dit verwijtbaar is.