ECLI:NL:CRVB:2016:711
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering persoonsgebonden budget wegens niet-naleving verplichtingen
Appellante, met een indicatie voor zorg op grond van de AWBZ, had eerder een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangen dat in 2011 werd ingetrokken wegens het niet verantwoorden van het pgb. In 2014 werd haar nieuwe aanvraag afgewezen omdat zij zich niet had gehouden aan de verplichtingen van het eerdere pgb. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde dat het Zorgkantoor terecht het pgb had geweigerd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de fouten in de verantwoording niet aan haar te wijten waren, maar aan een extern kantoor, en dat zorg in natura niet mogelijk was omdat zij alleen zorg van haar moeder accepteert. De Raad oordeelde dat het dwingendrechtelijke karakter van de regeling geen ruimte biedt voor deze stelling en dat appellante onvoldoende medische gegevens had overlegd om aan te tonen dat zorg in natura onmogelijk is.
Ook bleek uit het dossier en de zitting dat appellante zich niet had gericht tot het Zorgkantoor of gecontracteerde zorgverleners om alternatieve zorgmogelijkheden te onderzoeken. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het pgb wegens niet-naleving van verplichtingen en onvoldoende medische onderbouwing.