Appellante, geboren in 1950 in Nederlands-Indië, diende in 2011 een aanvraag in op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder wees de aanvraag in 2013 af wegens het ontbreken van bevestiging van de door appellante gestelde oorlogsgebeurtenissen. Het bezwaar werd ongegrond verklaard. In hoger beroep stelde appellante dat de gevangenenuitbraak van 2 juli 1952 als oorlogsgeweld moet worden beschouwd en dat brandstichtingen die tijdens de hoorzitting aan het licht kwamen, bij de heroverweging betrokken hadden moeten worden.
De Raad oordeelt dat de gevangenenuitbraak geen oorlogscalamiteit vormt zoals bedoeld in de AOR, omdat deze niet onverbrekelijk samenhangt met oorlogsvoering. De angst van appellante als kind verandert dit oordeel niet. Ten aanzien van de brandstichtingen stelt de Raad dat deze feiten onterecht als nieuwe aanvraag zijn aangemerkt, terwijl verweerder verplicht was het primaire besluit volledig te heroverwegen op grond van het bezwaar.
De Raad draagt verweerder op binnen drie maanden het gebrek in het besluit van 18 maart 2014 te herstellen door het primaire besluit in volle omvang te heroverwegen, aangezien op de nieuwe feiten nog niet is beslist. De uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra op 18 februari 2016.