ECLI:NL:CRVB:2016:5135
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor aflossing schulden wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellant, die sinds 2003 bijstand ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor de aflossing van elf vorderingen. Het college wees dit af omdat er een voorliggende voorziening is, namelijk schuldhulpverlening, en er geen zeer dringende redenen waren om bijstand te verlenen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand werd gevraagd, daadwerkelijk schulden betroffen die voor de aanvraagdatum bij appellant in rekening waren gebracht maar niet betaald. Op grond van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor schulden zonder zeer dringende redenen. Appellant maakte niet aannemelijk dat zulke redenen aanwezig waren, waardoor het college terecht de aanvraag afwees.
Verder stelde appellant dat het college niet tijdig op zijn bezwaar had beslist en dat hem daardoor een dwangsom toekwam. Dit werd verworpen omdat appellant het college niet schriftelijk in gebreke had gesteld. Ten slotte werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen omdat de behandeling binnen de toegestane termijn viel, mede doordat een mediationtraject van circa acht maanden niet werd meegeteld.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor schuldaflossing wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.