Uitspraak
.Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg op 2 augustus 2013 bijstand aan bij het college van burgemeester en wethouders van Almere, omdat zij onvoldoende financiële middelen had. Het college wees de aanvraag af omdat appellante onvoldoende informatie had verstrekt over haar inkomsten uit het geven van vioollessen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de overgelegde stukken onvoldoende duidelijkheid boden over haar inkomenspositie.
In hoger beroep stelde appellante dat de discrepanties tussen lesroosters en inkomsten marginaal waren en dat de inkomsten onder de bijstandsnorm lagen. Ook stelde zij dat het college informatie had achtergehouden, waardoor de rechtbank niet correct kon oordelen. De Raad stelde vast dat appellante wel degelijk inkomsten had uit vioollessen en werkzaamheden voor een orkest, en dat leningen die zij ontving niet als middelen voor levensonderhoud konden worden aangemerkt wegens gebrek aan bewijs.
De Raad oordeelde dat het college het recht op bijstand had kunnen vaststellen, ook al zou dit nihil zijn geweest in sommige maanden. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank waren daarom op een onjuiste grondslag gebaseerd en werden vernietigd. Het college moet een nieuwe beslissing nemen, waarbij het recht op bijstand correct wordt vastgesteld. Tevens wordt bepaald dat beroep tegen deze nieuwe beslissing alleen bij de Raad kan worden ingesteld.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt vernietigd; het college moet een nieuwe beslissing nemen.