ECLI:NL:CRVB:2016:4993
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, die sinds 2007 een WIA-uitkering ontving wegens ernstige psychische klachten en een stemmingsstoornis, werd in 2014 herbeoordeeld. Uit medisch onderzoek, waaronder een psychiatrische expertise, bleek dat haar belastbaarheid was toegenomen en dat zij niet langer volledig arbeidsongeschikt was. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), maar vond geen grond voor een urenbeperking of volledige arbeidsongeschiktheid.
Appellante voerde bezwaar aan tegen de intrekking van haar uitkering, met name vanwege klachten van het carpaal tunnel syndroom (CTS), psychische beperkingen en medicijnbijwerkingen. Na aanvullend onderzoek en aanpassing van de FML werden haar beperkingen opnieuw beoordeeld, waarbij de arbeidsdeskundige geschikte functies selecteerde die zij medisch gezien kon verrichten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. Er was geen bewijs dat appellante door haar klachten en medicatie meer beperkt was dan vastgesteld, noch dat een urenbeperking gerechtvaardigd was. De Raad concludeerde dat de intrekking van de WIA-uitkering terecht was en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.