ECLI:NL:CRVB:2016:4961
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als gastvrouw bij een woongroep voor mensen met een verstandelijke beperking, meldde zich ziek wegens een interne aandoening en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. In bezwaar en beroep werd deze beslissing bevestigd op basis van rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen.
De rechtbank benoemde een onafhankelijke longarts als deskundige, die een rapport uitbracht dat de arbeidsongeschiktheid van appellante niet boven de 35% uitkwam. Appellante voerde aan dat haar sarcoïdose en vermoeidheidsklachten ernstig werden onderschat en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet voldeed aan haar beperkingen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig en consistent was en dat de rechtbank terecht het oordeel van deze deskundige volgde. De medische grondslag van het besluit werd bevestigd, waarbij ook werd meegewogen dat de behandeling door de psycholoog pas na de datum in geschil was gestart. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.