ECLI:NL:CRVB:2016:4956
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens ontbreken causaal verband met zwangerschap
Appellante was werkzaam als medewerker klantenteam en ontving na haar bevalling een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg. Na afloop hiervan meldde zij zich ziek vanwege bekkenklachten en kreeg zij een Ziektewetuitkering toegekend. Een verzekeringsarts concludeerde echter dat haar arbeidsongeschiktheid niet langer verband hield met zwangerschap of bevalling, waarna het UWV haar ZW-uitkering beëindigde.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar psychische klachten wel samenhingen met haar zwangerschap, onderbouwd met een brief van haar GZ-psycholoog. De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep oordeelden echter dat er onvoldoende medisch bewijs was voor een causaal verband tussen haar klachten en zwangerschap of bevalling, mede op basis van de UWV-richtlijn en het tijdstip waarop de klachten werden gemeld.
De Raad concludeerde dat de ongeschiktheid voor arbeid niet langer voortkomt uit zwangerschap of bevalling en bevestigde het besluit van het UWV om de ZW-uitkering te beëindigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht meer heeft op Ziektewetuitkering wegens ontbreken van een causaal verband met zwangerschap.