ECLI:NL:CRVB:2016:4948
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand met terugwerkende kracht wegens niet tijdige aanvraag
Appellant, voormalig zelfstandige, vroeg bijstand aan met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2013. Na afwijzing van zijn aanvraag verlenging Bbz 2004, meldde hij zich pas op 23 september 2013 voor bijstand ingevolge de WWB. Het college verleende bijstand vanaf die datum, maar weigerde terugwerkende kracht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat bijstand in beginsel alleen wordt toegekend vanaf de datum van melding of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
Appellant stelde dat hij vanwege zijn zelfstandige activiteiten niet eerder kon aanvragen en dat de periode tussen afwijzing Bbz en aanvraag WWB bijzondere omstandigheden vormde. De Raad verwierp dit, verwijzend naar vaste rechtspraak dat het aan de aanvrager is om tijdig te handelen en dat geen bijzondere omstandigheden waren vastgesteld.
Ook het beroep op onvoldoende motivering van het bestreden besluit werd afgewezen. De Raad vond dat de vermeende vergissing in het advies geen aanleiding gaf tot proceskostenvergoeding. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op bijstand met terugwerkende kracht vanwege niet tijdige aanvraag en afwezigheid van bijzondere omstandigheden.