Uitspraak
9 oktober 2015, 15/1069 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af en verklaarde ook geen dwangsommen verschuldigd te zijn voor het niet tijdig beslissen.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Hoewel betrokkene bezwaar maakte tegen het niet toelaten tot de VBL, is dit een zaak voor de vreemdelingenrechter en uiteindelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het beroep van betrokkene tegen het niet toekennen van dwangsommen faalde eveneens.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, zonder inhoudelijk op andere gronden in te gaan. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.