Uitspraak
16 oktober 2015, 15/664 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het college verplicht tot opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Betrokkene kon van deze opvang gebruik maken, ondanks de voorwaarde van medewerking aan vertrek, die volgens hem onrechtmatig zou zijn.
De Raad verwierp het beroep van betrokkene en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. De beoordeling van de rechtmatigheid van de voorwaarde van medewerking aan vertrek is voorbehouden aan de staatssecretaris en uiteindelijk aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep van het college werd gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond; de aanvraag maatschappelijke opvang wordt afgewezen wegens beschikbaarheid van opvang in een VBL.