ECLI:NL:CRVB:2016:4900
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wegens voorliggende voorziening VBL
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, vroeg maatschappelijke opvang aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd afgewezen omdat het college de opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voorliggende voorziening beschouwde die de noodzaak van opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) wegneemt.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit van het college en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel het college als betrokkene stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de opvang in een VBL in het algemeen kan worden aangemerkt als een voldoende voorziening die voldoet aan de positieve verplichting tot opvang uit het internationaal recht. Hierdoor is opvang in een VBL een aan de Wmo voorliggende voorziening, waardoor de noodzaak van Wmo-opvang vervalt.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het college gegrond, waardoor het beroep van betrokkene ongegrond werd verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.