ECLI:NL:CRVB:2016:49
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen intrekking bijstandsuitkering wegens te late indiening
Appellant ontving sinds 1 maart 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn schortte bij besluit van 10 juli 2013 de bijstand op en trok deze bij besluit van 14 augustus 2013 in, met ingang van 3 juli 2013. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend.
De rechtbank Amsterdam verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege psychische problemen die hem belemmerden adequaat om te gaan met binnenkomende post. Hij verwees naar een medisch rapport van 5 april 2013.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn psychische klachten hem daadwerkelijk verhinderd hadden tijdig bezwaar te maken. Het rapport toonde wel beperkingen in zelfstandig handelen, maar gaf geen bewijs dat appellant niet adequaat met post kon omgaan. Ook was geen bewijs geleverd dat zijn situatie vergelijkbaar was met een eerdere zaak waarin ernstige neurologische schade en fobische klachten tot termijnoverschrijding leidden.
Daarom werd de termijnoverschrijding niet verschoonbaar geacht en het hoger beroep verworpen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de intrekking van de bijstand wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare te late indiening.