Uitspraak
13 oktober 2015, 15/963 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, vroeg maatschappelijke opvang aan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank stelde betrokkene in het gelijk en bepaalde dat het college recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening en legde een dwangsom op vanwege niet tijdig beslissen.
Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en voorliggende voorziening geldt, die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit volgt uit eerder jurisprudentie en internationale verplichtingen.
De Raad vernietigde daarom het deel van de uitspraak dat het college verplichtte tot maatschappelijke opvang en verklaarde het beroep ongegrond. Het deel van de uitspraak dat de dwangsom wegens niet tijdig beslissen betreft, bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en de aangevallen uitspraak vernietigd voor zover het college tot maatschappelijke opvang werd verplicht; het beroep wordt ongegrond verklaard voor zover het gaat om de dwangsom.