Uitspraak
13 oktober 2015, 15/696 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, vroeg maatschappelijke opvang aan op grond van de Wmo. Het college wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank gaf betrokkene echter gelijk en bepaalde dat hij recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en aan de Wmo voorliggende voorziening geldt, waardoor de noodzaak van Wmo-opvang vervalt. De Raad verwierp het verweer van betrokkene dat de medewerking aan vertrek uit de VBL onrechtmatig zou zijn, aangezien de beoordeling daarvan aan andere bestuursorganen is voorbehouden.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het college gegrond, waardoor betrokkene geen recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en de aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wordt afgewezen vanwege beschikbaarheid opvang in een VBL.