ECLI:NL:CRVB:2016:4892

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 december 2016
Publicatiedatum
21 december 2016
Zaaknummer
15/7511 WMO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Vw 2000Art. 11 Vw 2000Wet maatschappelijke ondersteuning
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang wegens beschikbaarheid Vrijheidsbeperkende Locatie

Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde echter dat betrokkene recht had op opvang conform de Wmo.

Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit oordeel is gebaseerd op eerdere jurisprudentie en internationale verplichtingen.

Betrokkene stelde dat de voorwaarde van medewerking aan vertrek uit de VBL onrechtmatig is in zijn bijzondere omstandigheden, maar de Raad verwierp dit omdat de beoordeling van die voorwaarde aan andere bestuursorganen is voorbehouden. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het college ongegrond, waarmee de afwijzing van de aanvraag werd bevestigd.

Uitkomst: Het beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang blijft in stand.

Uitspraak

15/7511 WMO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
9 oktober 2015, 15/1764 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
[betrokkene] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift en aanvullende stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting in de zaken 15/7319, 15/7320, 15/7517, 15/7321, 15/7503, 15/7322, 15/7323, 15/7324, 15/7327, 15/7328, 15/7339, 15/7512, 15/7465, 15/7524, 15/7467, 15/7594, 15/7471, 15/7507, 15/7493, 15/7501, 15/7504, 15/7511, 15/7505, 15/7519, 15/7521, 15/7522, 15/7526, 15/7527, 15/7528, 15/7529, 15/7571, 15/7575, 15/7576, 15/7577, 15/7578, 15/7580, 15/7673, 15/7674, 15/7785, 15/7331, 15/7337, 15/7475 en 15/7574 heeft gevoegd plaatsgehad op 7 september 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Betrokkene is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel, ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.
1.2.
Het college heeft de aanvraag van betrokkene aangemerkt als aanvraag om opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en deze aanvraag bij besluit van
3 november 2014 afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 20 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 3 november 2014 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 3 november 2014 herroepen en bepaald dat betrokkene recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo overeenkomstig de bed-bad-broodvoorziening.
3. Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De beroepsgrond van het college dat de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang doet vervallen, slaagt. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3803, heeft overwogen mag ervan worden uitgegaan dat een vreemdeling als betrokkene van de opvang in een VBL gebruik kan maken, dat de opvang in een VBL in het algemeen aangemerkt kan worden als een voldoende voorziening in het bieden van opvang en dat met plaatsing in een VBL voldoende invulling wordt gegeven aan de uit het internationaal recht voortvloeiende positieve verplichting opvang te bieden. Daarmee is de opvang in een VBL een aan de Wmo voorliggende voorziening die de noodzaak van opvang op grond van die wet wegneemt.
4.2.
De grond van betrokkene dat opvang in een VBL van hem niet kan worden gevergd, omdat de daaraan verbonden voorwaarde van medewerking aan vertrek in zijn bijzondere omstandigheden onrechtmatig is, leidt niet tot een ander oordeel. Deze voorwaarde doet immers niet af aan de feitelijke beschikbaarheid van de VBL. De beoordeling van de rechtmatigheid van de gestelde voorwaarde is voorbehouden aan de staatssecretaris en – in hoger beroep – uiteindelijk aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van het college slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Aan een beoordeling van de andere gronden wordt niet toegekomen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2016.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) M.S.E.S. Umans

RB