Uitspraak
9 oktober 2015, 15/1195 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat hij recht had op opvang volgens de bed-bad-broodvoorziening.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en aan de Wmo voorliggende voorziening moet worden beschouwd. Hierdoor vervalt de noodzaak van opvang op grond van de Wmo. Betrokkene stelde dat de voorwaarde van medewerking aan vertrek vanuit de VBL onrechtmatig was, maar de Raad vond dat deze beoordeling aan de staatssecretaris en uiteindelijk aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is voorbehouden.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De beslissing werd openbaar uitgesproken op 21 december 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd, waardoor betrokkene geen recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo.