ECLI:NL:CRVB:2016:4888
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo vanwege opvang in Vrijheidsbeperkende Locatie
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag bij besluit van 31 juli 2014 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 5 januari 2015.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang via de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:CRVB:2015:3803) en de positieve verplichting uit het internationaal recht om opvang te bieden. Daarom vernietigt de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.
De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door voorzitter H.J. de Mooij en griffier M.S.E.S. Umans op 21 december 2016.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd wegens opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie als voorliggende voorziening.