ECLI:NL:CRVB:2016:4887
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wegens voorliggende voorziening
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, heeft een aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo ingediend die door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam is afgewezen. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die voldoende invulling geeft aan de internationale verplichting tot opvang en daarmee de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Hierdoor slaagt het hoger beroep van het college.
De Raad bevestigt echter het deel van de uitspraak van de rechtbank dat ziet op de dwangsom wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar, aangezien dit niet is aangevochten. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij op 21 december 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond wegens opvang in een VBL als voorliggende voorziening.