ECLI:NL:CRVB:2016:4884
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wegens beschikbaarheid VBL
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en bepaald dat betrokkene recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voldoende en voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Hoewel betrokkene aanvoerde niet tot de VBL te worden toegelaten en dat de voorwaarde van medewerking aan vertrek onrechtmatig zou zijn, leidde dit niet tot een ander oordeel. De beoordeling van de rechtmatigheid van de toelatingsvoorwaarden is voorbehouden aan de staatssecretaris en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Raad verklaarde het hoger beroep van het college gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo gehandhaafd.