ECLI:NL:CRVB:2016:4883
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wegens voorliggende voorziening VBL
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. De Raad bevestigde dat betrokkene als vreemdeling gebruik kan maken van opvang in een VBL en dat deze opvang voldoet aan de positieve verplichting uit het internationaal recht.
De Raad verwierp het verweer van betrokkene dat de voorwaarde van medewerking aan vertrek onrechtmatig zou zijn, omdat dit de feitelijke beschikbaarheid van de VBL niet aantast. De beoordeling van de rechtmatigheid van die voorwaarde is voorbehouden aan de staatssecretaris en uiteindelijk aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond en wees het verzoek tot maatschappelijke opvang op grond van de Wmo af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en de aanvraag om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wordt afgewezen.