Uitspraak
9 oktober 2015, 15/138 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde echter dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening en vernietigde het besluit van het college.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een aan de Wmo voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. De Raad stelde vast dat betrokkene gebruik kan maken van opvang in een VBL en dat deze opvang voldoende invulling geeft aan de positieve verplichting tot opvang uit het internationaal recht.
Betrokkene voerde aan dat de voorwaarde van medewerking aan vertrek uit de VBL onrechtmatig is in zijn bijzondere omstandigheden, maar de Raad oordeelde dat deze voorwaarde niet afdoet aan de feitelijke beschikbaarheid van de VBL. De beoordeling van de rechtmatigheid van deze voorwaarde behoort toe aan de staatssecretaris en uiteindelijk aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het college ongegrond, waarmee het besluit van het college werd bekrachtigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van het college wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd, waardoor de aanvraag maatschappelijke opvang wordt afgewezen.