Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was vanaf 17 februari 2014 tijdelijk in dienst bij de gemeente in een functie binnen een reorganisatie. Na een aanvankelijk positief functioneringsgesprek ontstonden vanaf september 2014 zorgen over haar functioneren, met name op het gebied van communicatie, samenwerking en sturing. Op 2 december 2014 werd geconcludeerd dat er onvoldoende vertrouwen bestond in verbetering, waarna zij buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging werd verleend en haar tijdelijke aanstelling niet werd voortgezet.
Het college motiveerde het buitengewoon verlof met het persoonlijk belang van appellante om tot rust te komen en een nieuwe baan te zoeken, en met een dienstbelang vanwege de verstoorde arbeidsverhouding die de voortgang van het managementteam en veranderingen in gevaar bracht. De rechtbank oordeelde dat het college in redelijkheid tot deze besluiten kon komen en dat er geen sprake was van een diffamerende schorsing.
In hoger beroep betwistte appellante de feitenweergave, stelde dat het verlof een schorsing was en dat er geen dienstbelang bestond. De Raad oordeelde dat het buitengewoon verlof terecht was verleend en dat het niet voortzetten van het dienstverband terughoudend wordt getoetst, waarbij het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellante niet aan redelijke eisen voldeed.
De Raad concludeerde dat de arbeidsverhouding snel verslechterde, dat de kritiek op appellante terecht was en dat het college in redelijkheid het dienstverband niet hoefde te verlengen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot niet verlengen van het tijdelijk dienstverband en het verlenen van buitengewoon verlof wordt bevestigd.