ECLI:NL:CRVB:2016:4815
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens vermogen boven grens zonder in aanmerking nemen schulden
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB, maar het dagelijks bestuur stelde vast dat zij meerdere bankrekeningen had met een totaalvermogen boven de toegestane grens. Appellante had dit niet gemeld, waardoor haar recht op bijstand werd ingetrokken en de kosten van bijstand werden teruggevorderd.
Appellante voerde aan dat haar schulden, waaronder vorderingen van een ex-partner, Belgische huurschulden, leningen en een vordering van een Belgisch ziekenfonds, in mindering moesten worden gebracht op haar vermogen. De Raad oordeelde dat schulden alleen in aanmerking kunnen worden genomen als zij tijdens de bijstandsverlening opeisbaar zijn en daadwerkelijk afdwingbaar. Appellante maakte dit niet aannemelijk, omdat de schulden niet opeisbaar waren binnen de relevante periode.
Verder stelde appellante dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien vanwege haar verslechterde psychische toestand, baanverlies en slechte financiële situatie. De Raad vond dat deze omstandigheden niet voldoende waren om af te zien van terugvordering, omdat de psychische klachten niet direct door de terugvordering waren verergerd en de financiële situatie geen incidentele, uitzonderlijke situatie betrof.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd.