ECLI:NL:CRVB:2016:4812
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- J.L. Boxum
- J.H.M. van de Ven
- Rechtspraak.nl
Ambtshalve wijziging bijstandsnorm wegens gezamenlijke huishouding met terugwerkende kracht
Appellante ontvangt sinds 2004 bijstand volgens de norm voor een alleenstaande. Na onderzoek in 2013-2014 stelde het college vast dat zij een gezamenlijke huishouding voert met R, waarop de bijstand werd aangepast naar de norm voor een gezin met terugwerkende kracht per 6 maart 2014.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze wijziging ongegrond. In hoger beroep betoogt appellante dat geen sprake is van wederzijdse zorg en dat de terugwerkende kracht onrechtmatig is. De Raad stelt dat de gezamenlijke huishouding objectief is vastgesteld op basis van financiële en praktische zorg, zoals gezamenlijke was, koken en bijdragen aan kosten die verder gaan dan een commerciële huurrelatie.
De Raad oordeelt echter dat de terugwerkende kracht van de wijziging niet is gebaseerd op een wettelijke grondslag en dat het college onvoldoende zorgvuldigheid betrachtte. Daarom vernietigt de Raad het besluit voor zover het terugwerkende kracht toekent en stelt de ingangsdatum van de wijziging op 6 juni 2014. De kosten van de procedure worden aan het college opgelegd.
Uitkomst: De ingangsdatum van de wijziging van de bijstandsnorm wordt vastgesteld op 6 juni 2014, en het beroep wordt gegrond verklaard.