ECLI:NL:CRVB:2016:4659
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand na ontslagvergoeding
Appellanten ontvingen bijstand en appellant 2 beëindigde zijn dienstverband met wederzijds goedvinden, waarbij een ontslagvergoeding van €5.000 bruto was overeengekomen. Het college herzag de bijstand en vorderde terug wegens onvoldoende verrekening van deze ontslagvergoeding met de WW-uitkering.
Appellanten betwistten dat de betaling van €2.890,68 een ontslagvergoeding was en voerden aan dat deze tot het vermogen moest worden gerekend en dat er een vrijlating van toepassing was. De Raad oordeelde dat de betaling wel degelijk een ontslagvergoeding betrof die als inkomen moest worden meegeteld en dat de vrijlating niet van toepassing was.
Verder stelde het college dat appellanten de inlichtingenverplichting hadden geschonden, maar de Raad vond dat zij de vaststellingsovereenkomst direct hadden overgelegd en dat het college de bijstand niet op grond van schending van die plicht had mogen herzien. Desondanks was de herziening terecht omdat anders te veel bijstand was verleend.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand wegens onvoldoende verrekening van de ontslagvergoeding met de WW-uitkering.