ECLI:NL:CRVB:2016:4645
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Algemene Oorlogsongevallenregeling wegens onvoldoende bewijs oorlogscalamiteiten
Appellant, geboren in 1947 in het voormalig Nederlands-Indië, vroeg in 2013 een uitkering aan op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder wees de aanvraag af wegens gebrek aan bevestiging van de door appellant gestelde oorlogservaringen, waaronder beschietingen en vluchtelingenstatus in Soerabaja.
Appellant maakte bezwaar, dat eveneens werd afgewezen. In het beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd vastgesteld dat de verklaring van de broer van appellant slechts algemene beschrijvingen gaf van de situatie, zonder concrete bevestiging van persoonlijke oorlogservaringen in de relevante periode van 8 december 1941 tot 1 februari 1954.
De Raad oordeelde dat hoewel de AOR mildere criteria hanteert dan andere regelingen, er toch bewijs vereist is van persoonlijk meegemaakte oorlogscalamiteiten. De algemene beschrijvingen en de overgelegde stukken boden onvoldoende houvast om te concluderen dat appellant aan de voorwaarden voldeed.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door M.T. Boerlage op 8 december 2016.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van het meemaken van oorlogscalamiteiten.