Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:4583

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 november 2016
Publicatiedatum
30 november 2016
Zaaknummer
15/56 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstandsuitkering wegens vermogen boven de toegestane grens zonder aantoonbare lening

Appellanten ontvingen sinds 1996 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In 2013 voerde de gemeente Waalre een controle uit op het uitkeringsadres van appellanten, waarbij een contant bedrag van €5.000,- werd aangetroffen. Het college besloot daarop de bijstand met ingang van 5 augustus 2013 in te trekken wegens overschrijding van het vrij te laten vermogen.

Appellanten voerden aan dat het bedrag een lening betrof en overlegden een overeenkomst van geldlening van 9 oktober 2013. De Raad oordeelde echter dat deze overeenkomst achteraf was opgesteld, te vrijblijvend was en geen afdwingbare terugbetalingsverplichting bevatte. Hierdoor kon het bedrag niet als schuld in mindering worden gebracht op het vermogen.

De rechtbank had het bezwaar tegen de intrekking ongegrond verklaard, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat het contant ontvangen bedrag een daadwerkelijke lening betreft.

Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd vanwege het niet aannemelijk maken van een afdwingbare lening.

Uitspraak

15/56 WWB
Datum uitspraak: 22 november 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
18 december 2014, 14/2016 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Waalre (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2016. Voor appellanten is verschenen mr. Van de Laar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. L. Feuth en mr. A.J. Rijkers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten ontvingen sinds 22 juni 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.
1.2.
Appellanten wonen [in een buitengebied] op het adres [adres] (uitkeringsadres). In 2012 heeft de gemeente Waalre beleid geformuleerd met betrekking tot de aanpak van deze [locatie] met als doel te komen tot een normalisering van de woon- en leefsituatie. Op 19 juni 2013 hebben diverse medewerkers van de gemeente een grote controle uitgevoerd [in een buitengebied] . In dat kader hebben deze medewerkers met een machtiging van de burgemeester alle woningen betreden, waaronder de woning van appellanten. Vervolgens hebben twee sociaal rechercheurs, werkzaam bij het Team Bijzonder Onderzoek van de gemeente Eindhoven, op dezelfde dag een onaangekondigd huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. Hierna is dossieronderzoek verricht. Op 9 oktober 2013 heeft een gesprek met appellanten plaatsgevonden. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 15 november 2013.
1.3.
De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van
15 november 2013 de bijstand van appellanten met ingang van 5 augustus 2013, de datum met ingang waarvan de bijstand was opgeschort, in te trekken. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten het college niet hebben gemeld dat zij over een vermogen beschikken dat hoger is dan het voor hen geldende vrij te laten vermogen. Het vrij te laten vermogen wordt overschreden met een bedrag van € 3.890,-, zodat geen recht op bijstand bestaat.
1.4.
Bij besluit van 15 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 15 november 2013 ongegrond verklaard, waarbij is uitgegaan van een overschrijding van het vrij te laten vermogen van € 3.210,-. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat op de voor appellanten geldende vermogensgrens, naast de waarde van diverse kostbare goederen die tijdens het huisbezoek op het uitkeringsadres zijn aangetroffen, een bedrag van € 5.000,- als vermogensbestanddeel in aanmerking dient te worden genomen. Appellant heeft dit bedrag contant van zijn broer ontvangen en een reële terugbetalingsverplichting ontbreekt. Hierdoor kan dit bedrag niet als lening worden aangemerkt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten stellen zich op het standpunt dat het college het bedrag van € 5.000,- ten onrechte niet als lening heeft aangemerkt. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben appellanten gewezen op de overeenkomst van geldlening van 9 oktober 2013.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, eerste volzin, van de WWB wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.
4.2.
Artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB bepaalt dat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid. Ingevolge het vierde lid van artikel 34 van Pro de WWB is het tweede lid van overeenkomstige toepassing op bezittingen die worden verworven in de periode waarover algemene bijstand is toegekend.
4.3.
De positieve bestanddelen van het vermogen dienen slechts te worden gesaldeerd met die schulden waarvan aannemelijk is gemaakt dat zij bestaan en dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. Daarbij is onder meer van belang of vooraf een concrete en afdwingbare terugbetalingsverplichting is vastgelegd. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 23 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6792) is een schuld aan een familielid veelal een schuld van vrijblijvende aard. Een belanghebbende heeft echter de mogelijkheid aannemelijk te maken dat sprake is van een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling. Dit dient te geschieden met gegevens die concreet, objectief en verifieerbaar zijn.
4.4.
Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het op 20 februari 2013 contant ontvangen bedrag van € 5.000,- een lening betreft. Uit de op 9 oktober 2013 opgestelde overeenkomst van geldlening tussen appellant en zijn broer blijkt dat de aflossing zal geschieden binnen vijf jaar, indien appellant daartoe financieel de mogelijkheid heeft. Nog daargelaten dat deze overeenkomst achteraf is opgesteld en dus niet objectief en verifieerbaar is, is het hierin bepaalde over de terugbetaling afhankelijk van een toekomstige gebeurtenis en ook overigens te vrijblijvend en onvoldoende concreet om aangemerkt te kunnen worden als een afdwingbare terugbetalingsverplichting. De verplichting tot terugbetaling is immers afhankelijk gesteld van de betalingsruimte die appellant heeft. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het college bij de vaststelling van het vermogen terecht geen rekening heeft gehouden met de door appellanten gestelde schuld.
4.5.
Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en A.M. Overbeeke en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2016.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) A.M.C. de Vries

HD