ECLI:NL:CRVB:2016:4579
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering en terugvordering Ziektewetuitkering wegens benadelingshandeling door beëindigingsovereenkomst
Appellant werkte als medewerker bediening en werd na een incident op 16 september 2014 niet meer betaald door zijn werkgever. Hij meldde zich ziek bij het UWV en ontving een voorschot op een Ziektewetuitkering vanaf 1 oktober 2014. Werkgever meldde dat de arbeidsovereenkomst op verzoek van appellant per 30 september 2014 was geëindigd. Het UWV concludeerde dat appellant niet alles had gedaan om loon te verkrijgen en beëindigde de ZW-uitkering, waarna zij de ten onrechte betaalde uitkering terugvorderde.
De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 21 januari 2015 op basis van een beëindigingsovereenkomst waarin partijen verklaarden dat het verschil van inzicht niet aan een van beiden te wijten was. Appellant gaf geen loonvordering of vergoeding op, wat het UWV kwalificeerde als een benadelingshandeling. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij onder druk en vanwege persoonlijke omstandigheden had ingestemd met de beëindiging zonder vergoeding of loon, maar voerde geen zelfstandige gronden aan tegen de terugvordering. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze omstandigheden geen deugdelijke grond vormen om de benadelingshandeling te ontkennen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De Raad concludeerde dat appellant door het sluiten van de beëindigingsovereenkomst zijn aanspraak op loon heeft prijsgegeven en daarmee een benadelingshandeling heeft gepleegd, waardoor het recht op ZW-uitkering terecht is geweigerd en teruggevorderd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering en terugvordering van de Ziektewetuitkering wegens benadelingshandeling door het prijsgeven van loonrechten in de beëindigingsovereenkomst.