Werkneemster viel in september 2011 uit wegens gynaecologische klachten en hervatte haar werkzaamheden gedeeltelijk in 2013, waarna zij opnieuw uitviel met psychische klachten. Appellante diende een WIA-aanvraag in met een re-integratieverslag (RIV). De verzekeringsarts concludeerde dat medisch gezien geen re-integratiekansen waren gemist, maar de arbeidsdeskundige vond de re-integratie-inspanningen onvoldoende, vooral na 28 juni 2013.
Het UWV verlengde de loondoorbetalingsverplichting met 52 weken wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen, waarop appellante bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de loonsanctie onterecht was omdat de negatieve beoordeling was gebaseerd op gebeurtenissen na het RIV, wat niet in lijn is met het loonsanctiesysteem.
De Raad oordeelde dat het UWV het oordeel niet kon baseren op de periode na het opmaken van het RIV en dat het besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid en niet deugdelijke was gemotiveerd. De Raad vernietigde het besluit en het vonnis van de rechtbank, herroept het verlengingsbesluit, en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante.