ECLI:NL:CRVB:2016:4422
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bijstand wegens onvoldoende feitelijke grondslag woonplaatsverandering
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een adres te Rotterdam. Na een onderzoek van de sociale recherche naar zijn woon- en leefsituatie, waarbij onder meer waarnemingen en huisbezoeken werden verricht, concludeerde het college dat appellant zijn woonplaats had verplaatst naar het adres van zijn partner in Zoetermeer. Op grond hiervan werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 18 juni tot en met 30 november 2013.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. De Raad stelt vast dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden om te concluderen dat appellant zijn woonplaats had verplaatst in de periode van 18 juni tot en met 31 oktober 2013. De waarnemingen en verklaringen zijn te summier en niet overtuigend om de intrekking over deze periode te rechtvaardigen.
Voor de periode van 1 november tot en met 20 december 2013 is er wel voldoende bewijs dat appellant zijn woonplaats had verplaatst, zodat het college verplicht was de bijstand over die periode in te trekken en de kosten terug te vorderen. Appellant had deze wijziging niet gemeld, waardoor hij zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en het besluit van 20 december 2013 voor zover het de intrekking en terugvordering over 18 juni tot en met 31 oktober 2013 betreft. Het college krijgt de opdracht een nieuwe beslissing te nemen over de terugvordering en brutering over november 2013. Daarnaast wordt het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over 18 juni tot 31 oktober 2013 wordt vernietigd en het college krijgt opdracht een nieuw besluit te nemen over terugvordering over november 2013.