ECLI:NL:CRVB:2016:4371
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid minister tot oplegging disciplinaire straf wegens ontbreken plichtsverzuim
Appellant, werkzaam als penitentiair inrichtingswerker, kreeg meerdere disciplinaire straffen opgelegd wegens vermeend plichtsverzuim, waaronder onvoorwaardelijk ontslag. Het verwijt betrof het niet tijdig terugkeren van verlof uit Turkije en te laat verschijnen op het werk. De Raad oordeelt dat het verlengen van het verblijf in Turkije om persoonlijke zaken af te ronden geen plichtsverzuim oplevert, ook al was de planning gebrekkig.
Daarnaast was er sprake van overmacht door een brand in de Schipholtunnel waardoor appellant op 14 november 2013 niet op tijd op het werk kon zijn. Appellant had contact gezocht met de werkgever en werd geïnformeerd dat vervanging was geregeld. Het te laat komen op 16 november 2013 was incidenteel en niet frequent of substantieel genoeg om plichtsverzuim te vormen.
De Raad vernietigt het ontslagbesluit en het bestreden besluit van 21 november 2014, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de minister tot vergoeding van wettelijke rente over het na te betalen salaris en de proceskosten van appellant. De overige gronden behoeven geen bespreking.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het ontslagbesluit wegens plichtsverzuim wordt vernietigd.