Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:4299

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 november 2016
Publicatiedatum
10 november 2016
Zaaknummer
15/6715 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:119 AwbArt. 21 BeroepswetWet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om herziening van ontslagbesluit ambtenaar niet-ontvankelijk verklaard wegens laattijdigheid

Verzoekster heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een uitspraak van 29 juli 2010 waarin haar ontslag om gewichtige redenen werd bevestigd. Zij stelde dat de stichting nagelaten had een vereiste assessment aan te vragen. De Raad oordeelde dat het verzoek betrekking had op een uitspraak van vóór de inwerkingtreding van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht en dat het overgangsrecht artikel 8:88 Awb Pro van toepassing maakte.

De Raad stelde vast dat herziening alleen mogelijk is op grond van feiten en omstandigheden die vóór de uitspraak plaatsvonden, niet bekend waren en tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. Tevens geldt volgens vaste rechtspraak dat een verzoek om herziening niet onredelijk laat mag worden ingediend. Verzoeken die meer dan een jaar na bekendwording van nieuwe feiten of na openbaarmaking van de uitspraak worden ingediend, worden doorgaans als onredelijk laat beschouwd.

In deze zaak betoogde verzoekster feitelijk hetzelfde als in een eerder herzieningsverzoek uit 2013, dat reeds was afgewezen omdat de feiten en omstandigheden toen al aan de orde waren geweest of hadden kunnen worden gesteld. Gezien de vaste rechtspraak en het tijdsverloop oordeelde de Raad dat het huidige verzoek onredelijk laat was ingediend en verklaarde het niet-ontvankelijk.

Er werd geen aanleiding gezien om verzoekster te veroordelen in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 10 november 2016.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de ontslaguitspraak uit 2010 is niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijke laattijdigheid.

Uitspraak

15/6715 AW
Datum uitspraak: 10 november 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 29 juli 2010, 09/375 AW
Partijen:
[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Stichting Sirius (Openbaar Primair Onderwijs Amsterdam Zuidoost) (stichting)
PROCESVERLOOP
Namens verzoekster heeft mr. M.E.F. Parramore, advocaat, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 29 juli 2010, 09/375 AW, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3495.
De stichting heeft een reactie op het verzoek ingezonden.
Verzoekster en de stichting hebben schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij zijn uitspraak van 29 juli 2010 heeft de Raad zowel de beoordeling van het functioneren van verzoekster als het aan verzoekster met ingang van 1 augustus 2007 om redenen van gewichtige aard verleende ontslag in stand gelaten.
1.2.
Verzoekster heeft aan haar verzoek om herziening ten grondslag gelegd dat de stichting heeft nagalaten om, zoals is vereist, een assessment aan te vragen bij een erkende lerarenopleiding.
2. De Raad oordeelt als volgt.
2.1.
Het verzoek om herziening heeft betrekking op een uitspraak van vóór de op 1 januari 2013 in werking getreden Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) waarbij wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet zijn aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft dan, in verbinding met artikel 21 van Pro de Beroepswet, artikel 8:88 van Pro de Awb (in plaats van het huidige artikel 8:119 van Pro de Awb) van toepassing op het verzoek om herziening.
2.2.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet, kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraken van 20 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1055, en 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1702) geldt dat van degene die herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend verzoek om herziening moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
2.4.
Een verzoek om herziening als hier aan de orde wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten of omstandigheden dan wel, indien geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gesteld, na de openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.
2.5.
Wat verzoekster heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat verzoekster aan haar eerdere verzoek om herziening van 10 mei 2013 ten grondslag heeft gelegd. Bij uitspraak van 11 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4154, heeft de Raad geoordeeld dat de bij het verzoek van 10 mei 2013 naar voren gebrachte feiten en omstandigheden aan de orde zijn geweest in de procedure die tot de uitspraak van 29 juli 2010 heeft geleid, dan wel in die procedure aan de orde hadden kunnen worden gesteld. Daarom zijn deze feiten en omstandigheden niet aangemerkt als feiten of omstandigheden die aanleiding zijn voor herziening van de onherroepelijk geworden uitspraak en is het verzoek van 10 mei 2013 afgewezen. Na de genoemde uitspraak van 11 december 2014 is de onder 2.3 vermelde vaste rechtspraak van de Raad gevormd. Gelet op een en ander wordt geoordeeld dat het nu aan de orde verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend.
2.6.
Uit 2.1 tot en met 2.5 volgt dat het verzoek om herziening niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2016.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) P.W.J. Hospel

HD