ECLI:NL:CRVB:2016:4293
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen erkenning van dienstongeval bij letsel tijdens integrale beroepsvaardigheidstraining Koninklijke Marechaussee
Appellant, werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee, liep tijdens een integrale beroepsvaardigheidstraining (IBT) op 3 juni 2013 letsel op aan zijn linkerelleboog bij het oefenen van een voertuigprocedure waarbij hij als verdachte licht verzet moest plegen. De minister van Defensie kwalificeerde het ongeval als bedrijfsongeval en niet als dienstongeval, omdat geen sprake was van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden, zoals oorlogsnabootsende situaties.
De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de oefening een normale militaire basisvaardigheid betrof zonder verhoogd risico. Appellant voerde hoger beroep aan, stellende dat het ongeval wel als dienstongeval moet worden aangemerkt vanwege het karakter van de oefening.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het toetsingskader wordt gevormd door het Besluit AO/IV, waarin invaliditeit met dienstverband alleen geldt bij buitengewone omstandigheden. De Raad stelde vast dat de omstandigheden van de oefening niet voldeden aan de criteria voor oorlogsnabootsende omstandigheden met verhoogd risico. Beschermende kleding, toezicht, en het stilleggen van de oefening bij pijnsignalen ondersteunen dit oordeel.
De Raad verwierp ook het betoog dat eerdere realistische oefeningen die dag een verhoogd risico veroorzaakten. Bovendien maakte het feit dat een eerder ongeval in 2008 als dienstongeval werd aangemerkt, dit ongeval niet vergelijkbaar vanwege het gebruik van echte munitie destijds. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het ongeval wordt aangemerkt als bedrijfsongeval en niet als dienstongeval wegens ontbreken van buitengewone omstandigheden.