ECLI:NL:CRVB:2016:4278
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering Ziektewetuitkering en aanwending vermogen voor aflossing
Appellant heeft zich vrijwillig verzekerd voor de Ziektewet en ontving ten onrechte te veel uitkering over de periode april 2002 tot en met september 2010, omdat hij inkomsten als zelfstandige niet had vermeld. Het UWV heeft de te veel betaalde bedragen teruggevorderd en de aflossingscapaciteit vastgesteld. Appellant betwistte de hoogte van de aflossingscapaciteit en het beroep op zijn vermogen, met name omdat hij voor zijn pensioen heeft gespaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht een beroep heeft gedaan op het vermogen van appellant, conform artikel 33b ZW en de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en stelde vast dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden en dat hij vermogen heeft om de schuld binnen twaalf maanden te voldoen.
De Raad overwoog dat het feit dat het vermogen is opgebouwd voor pensioen geen vrijstelling geeft van de verplichting tot aanwending van dat vermogen. Ook was er geen sprake van een kennelijk onredelijk resultaat of een geldige toezegging die het beroep op het vertrouwensbeginsel zou rechtvaardigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellant moet zijn vermogen aanwenden om de teruggevorderde Ziektewetuitkering af te lossen.