ECLI:NL:CRVB:2016:4171
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling WW-dagloon en afwijzing schadevergoeding
Appellant, een voormalig leraar met bijna 38 jaar dienstverband, ontving vanaf 1 augustus 2012 een Ziektewet-uitkering (ZW) en vanaf 30 december 2013 een Werkloosheidswet-uitkering (WW). Het UWV stelde het WW-dagloon vast op €159,29, gebaseerd op de loonopgave van de werkgever waaruit appellant werkloos werd. Appellant betwistte deze vaststelling en voerde aan dat het oude Besluit dagloonregels (voor 1 juni 2013) had moeten worden toegepast, wat tot een hoger dagloon zou leiden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de na 1 juni 2013 geldende wettelijke bepalingen van toepassing zijn, omdat de eerste WW-uitkeringsdag van appellant op 30 december 2013 ligt. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat de hersteldverklaringen van appellant, die tot tijdelijke toekenning van WW-uitkering leidden, steeds zijn ingetrokken en dat appellant onafgebroken arbeidsongeschikt werd geacht tot 30 december 2013.
De Raad benadrukte dat de wetgever met de wijziging van artikel 45 WW Pro per 1 juni 2013 bewust heeft gekozen voor vereenvoudiging en terugdringing van uitvoeringskosten, waarbij het WW-dagloon zoveel mogelijk wordt gebaseerd op loon uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden. De verschillen tussen het ZW- en WW-dagloon zijn het gevolg van deze wettelijke wijziging. Het verzoek om schadevergoeding wegens vermeend onzorgvuldig handelen van het UWV werd afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de juiste vaststelling van het WW-dagloon en wijst het verzoek om schadevergoeding af.