Uitspraak
mr. Van Kuijeren verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
S. Pitschula.
OVERWEGINGEN
17 mei 2013 verlengd tot en met 30 april 2018.
Centrale Raad van Beroep
Appellant had op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) hulp bij het huishouden toegekend gekregen in de vorm van zorg in natura. Hij verzocht het college om deze zorg om te zetten in een persoonsgebonden budget (pgb). Het college wees dit verzoek af omdat er een vermoeden bestond dat appellant niet in staat was zijn lopende financiële verplichtingen na te komen, mede vanwege een openstaande fraudevordering en betalingsachterstanden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, stellende dat het college terecht aannam dat appellant niet zelfstandig zijn financiële verplichtingen kon nakomen. De rechtbank wees erop dat het college maandelijks bedragen rechtstreeks doorbetaalt aan derden voor onder meer huurlasten en nutsvoorzieningen, wat alleen gebeurt als er sprake is van betalingsproblemen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel in staat was passende zorg in te kopen en zijn financiële verplichtingen na te komen. Het college handhaafde haar standpunt en bracht naar voren dat er nieuwe beslagen waren gelegd en dat appellant inmiddels een budgetbeheerder had.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat het college terecht de aanvraag om zorg in natura om te zetten in een pgb heeft afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek om zorg in natura om te zetten in een persoonsgebonden budget.