ECLI:NL:CRVB:2016:4162
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A. Stehouwer
- M. Hillen
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens vermeende gezamenlijke huishouding zonder voldoende feitelijke grondslag
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en appellant als alleenstaande, woonachtig op afzonderlijke adressen. De gemeente Den Haag stelde een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij werd geconcludeerd dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden en daardoor te veel bijstand ontvingen.
Het college trok de bijstand in en vorderde de teveel ontvangen bedragen terug. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond. In hoger beroep betoogden appellanten dat onvoldoende feitelijke grondslag bestond voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding, mede omdat appellant op het andere adres zijn hoofdverblijf zou hebben.
De Raad oordeelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat appellant zijn hoofdverblijf op het adres van appellante had, mede gelet op verklaringen, observaties en het ontbreken van persoonlijke spullen. De verklaringen van appellante waren onvoldoende om het hoofdverblijf van appellant vast te stellen. Daarom vernietigde de Raad de eerdere uitspraken en herroept de besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand.
De Raad veroordeelde het college tevens tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten aan appellanten. De uitspraak kan worden aangevochten bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand worden vernietigd en herroepen wegens onvoldoende bewijs voor gezamenlijke huishouding.