Uitspraak
2 oktober 2015, 14/7395 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag bij besluit van 22 augustus 2014 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 7 november 2014.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het collegebesluit en bepaalde dat betrokkene recht heeft op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. De Raad bevestigde dat een vreemdeling als betrokkene gebruik kan maken van opvang in een VBL en dat deze opvang voldoet aan de internationale verplichtingen tot opvang.
Daarom vernietigde de Raad het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Een beoordeling van andere gronden werd achterwege gelaten. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het collegebesluit tot afwijzing van maatschappelijke opvang wordt bevestigd.