Uitspraak
2 oktober 2015, 14/7551 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
10 augustus 2014 afgewezen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, vroeg maatschappelijke opvang aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd op 10 augustus 2014 afgewezen en het bezwaar daarop ongegrond verklaard bij besluit van 7 november 2014. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat hij recht had op opvang volgens de Wmo.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat opvang in een VBL als een voldoende en voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Het feit dat betrokkene niet tot de VBL zou zijn toegelaten, leidt niet tot een ander oordeel, omdat tegen die weigering beroep mogelijk is bij de vreemdelingenrechter en uiteindelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hierover beslist.
Ook het verweer van betrokkene dat de voorwaarde van medewerking aan vertrek onrechtmatig is, doet niet af aan de feitelijke beschikbaarheid van de VBL. De beoordeling van de rechtmatigheid van deze voorwaarde is voorbehouden aan de staatssecretaris en de Afdeling. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo blijft in stand.