Uitspraak
2 oktober 2015, 15/40 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag bij besluit van 31 juli 2014 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 16 december 2014.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voorliggende voorziening moet worden beschouwd die voldoet aan de internationale verplichtingen tot opvang en daarmee de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt. Op basis hiervan vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.