Uitspraak
18 september 2015, 14/7653 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college wees deze aanvraag bij besluit van 31 juli 2014 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 4 november 2014. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voorliggende voorziening moet worden beschouwd die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. De Raad verwees daarbij naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2015:3803) waarin werd bevestigd dat vreemdelingen gebruik kunnen maken van opvang in een VBL en dat deze opvang voldoet aan de positieve verplichting uit het internationaal recht.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De beslissing werd genomen door rechter H.J. de Mooij, met griffier M.S.E.S. Umans, en uitgesproken op 26 oktober 2016.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die opvang op grond van de Wmo uitsluit.