Uitspraak
29 september 2015, 14/7152 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
5 augustus 2014 afgewezen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, diende een aanvraag in voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag op 5 augustus 2014 af. Betrokkene maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 28 oktober 2014 ongegrond werd verklaard.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. De Raad verwees naar een eerdere uitspraak waarin werd vastgesteld dat vreemdelingen gebruik kunnen maken van opvang in een VBL en dat deze opvang voldoende invulling geeft aan de positieve verplichting uit het internationaal recht om opvang te bieden.
Gelet hierop verklaarde de Raad het hoger beroep van het college gegrond en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. Het beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.