Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:3952

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 oktober 2016
Publicatiedatum
19 oktober 2016
Zaaknummer
15/6735 WMO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Vw 2000Art. 11 Vw 2000Wet maatschappelijke ondersteuning
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wegens beschikbaarheid opvang in VBL

Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag gedaan voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op opvang volgens de bed-bad-broodvoorziening.

Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en aan de Wmo voorliggende voorziening geldt, die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Het feit dat betrokkene niet tot de VBL werd toegelaten, leidt niet tot een ander oordeel omdat daartegen beroep mogelijk is bij de vreemdelingenrechter en uiteindelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hierover oordeelt.

De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd vanwege het bestaan van opvang in een VBL als voorliggende voorziening.

Uitspraak

15/6735 WMO, 15/6963 WMO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
18 september 2015, 15/237 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[betrokkene] (betrokkene)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens betrokkene heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft hoger beroep ingesteld.
De zaken 15/5987, 15/6256, 15/6347, 15/6899, 15/6350, 15/6905, 15/6351, 15/6911, 15/6354, 15/6885, 15/6355, 15/6904, 15/6370, 15/6889, 15/6371, 15/6894, 15/6372, 15/6884, 15/6482, 15/7004, 15/6511, 15/6987, 15/6512, 15/6969, 15/6516, 15/7008, 15/6547, 15/6976, 15/6550, 15/6986, 15/6551, 15/6972, 15/6576, 15/6973, 15/6577, 15/6971, 15/6607, 15/6957, 15/6610, 15/6990, 15/6611, 15/6992, 15/6615, 15/6616, 15/6968, 15/7025, 15/6656, 15/7001, 15/6660, 15/6994, 15/6661, 15/6997, 15/6662, 15/7003, 15/6663, 15/7002, 15/6666, 15/6956, 15/6684, 15/6952, 15/6692, 15/6998, 15/6694, 15/6995, 15/6698, 15/6965, 15/6702, 15/6954, 15/6735 en 15/6963 zijn voor gevoegde behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 10 augustus 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Betrokkene is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel, ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.
1.2.
Het college heeft de aanvraag van betrokkene aangemerkt als aanvraag om opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en deze aanvraag bij besluit van 31 juli 2014 afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 6 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 31 juli 2014 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 31 juli 2014 herroepen en bepaald dat betrokkene recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo overeenkomstig de bed-bad-broodvoorziening.
3. Betrokkene en het college hebben hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De beroepsgrond van het college dat de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang doet vervallen slaagt. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3803, heeft overwogen mag ervan worden uitgegaan dat een vreemdeling als betrokkene van de opvang in een VBL gebruik kan maken, dat de opvang in een VBL in het algemeen aangemerkt kan worden als een voldoende voorziening in het bieden van opvang en dat met plaatsing in een VBL voldoende invulling wordt gegeven aan de uit het internationaal recht voortvloeiende positieve verplichting opvang te bieden. Daarmee is de opvang in een VBL een aan de Wmo voorliggende voorziening die de noodzaak van opvang op grond van die wet wegneemt.
4.2.
Dat betrokkene aanvoert dat hij niet tot de VBL wordt toegelaten, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Daartoe overweegt de Raad dat tegen het niet toelaten tot de opvang in de VBL beroep bij de vreemdelingenrechter mogelijk is en dat het uiteindelijk aan de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is om over de rechtmatigheid van een dergelijke weigering te oordelen. Dat appellant zich inmiddels in een asielzoekerscentrum bevindt, betekent niet dat de VBL ten tijde hier van belang voor appellant niet feitelijk beschikbaar was.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van het college slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Aan een beoordeling van de andere gronden van de hoger beroepen van het college en betrokkene wordt niet toegekomen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2016.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) I.G.A.H. Toma

NW