Uitspraak
15 september 2015, 14/6547 en 15/238 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
29 augustus 2014 herroepen en bepaald dat betrokkene recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo overeenkomstig de bed-bad-broodvoorziening.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af, waarna betrokkene bezwaar maakte en beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op opvang volgens de bed-bad-broodvoorziening.
Zowel betrokkene als het college gingen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voldoende en voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Hoewel betrokkene niet werd toegelaten tot de VBL, is daartegen beroep mogelijk bij de vreemdelingenrechter en uiteindelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde de beroepen tegen de besluiten van het college ongegrond. Daarmee werd het recht op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo ontzegd, omdat de VBL als voorliggende voorziening geldt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van maatschappelijke opvang op grond van de Wmo worden ongegrond verklaard omdat opvang in een VBL als voorliggende voorziening geldt.